logo-knooppuntkerkenenarmoedespacer-100x5Knooppunt Kerken en Armoede

  • 7-slide
  • 1-slide
  • 8-slide
  • 4-slide
  • 3-sliide
  • 5-slide
  • 2-slide

Verkruimelen van vastgelopen mensbeelden

Over schaamte, armoede en theologie

Door Trees Versteegen

In deze bijdrage wil ik de schaamte die arme mensen in Nederland vaak ervaren beschrijven. Ik wil naar voren brengen wat deze schaamte ons leert over hoe we elkaar (niet) zien en ik zoek naar mogelijke benaderingen om de schaduw van de schaamte te verlichten.

In lijn met de voorkeursliefde voor de armen, die de R.K.-Kerk in de jaren tachtig van de vorige eeuw formuleerde, zegt Paus Franciscus in 2014 in ‘Evangelii Gaudium’: “Het is noodzakelijk dat wij ons allen door hen (de armen t.v.) laten evangeliseren. (…) De nieuwe evangelisatie is een uitnodiging om de reddende kracht van hun leven te erkennen, en dit in het middelpunt van de weg van de Kerk te plaatsen. Wij zijn geroepen Christus in hen te ontdekken, hun een stem te geven in hun aangelegenheden, maar ook om hun vrienden te zijn, naar hen te luisteren, hen te begrijpen en de mysterieuze wijsheid aan te nemen die God ons door middel van hen wil meedelen” (198).

Schaamte

Schaamte als emotie staat volop in de belangstelling. Populaire psychologen houden TEDx-lezingen over schaamte; marketingdeskundigen helpen om bedrijven die verkeerde producten verkopen te shamen (Wie lust er nog plofkip?); en het tijdschrift de ‘Groene Amsterdammer’ riep 2017 uit tot het jaar van de schaamte. In de afgelopen jaren is er internationaal veel onderzoek gedaan en gepubliceerd naar de relatie tussen schaamte er armoede (zie Robert Walker, ‘The Shame of Poverty’, Oxford 2014).
Schaamte is een aloude emotie, die de sociale omgang regelt. In opvoeding, in teksten die ons dagelijks omgeven, in beelden, in opleiding, in social media, leren we wat hoort en wat niet, wat wenselijk is en wat niet, wat de sociale verwachtingen en idealen zijn. Schaamte is vaak een nuttige regulerende emotie. Stiekem uit de koekjestrommel eten mag niet, en vervolgens daarop betrapt worden veroorzaakt schaamte. Dat corrigeert. Weten dat iets niet mag en daarmee sociaal geconfronteerd worden, veroorzaakt schaamte. Dat is de onschuldige versie die een glimlach op het gezicht tovert. Schaamte is echter vaak een intense – lichamelijke – en pijnlijke ervaring over hoe men zichzelf ziet, in de ogen van de ander. Schaamte wordt het sterkst ervaren in aanwezigheid, of onder het oog van, een ander. Ik denk dat een ander ziet dat ik niet voldoe aan de sociale verwachtingen en idealen en ik schaam mij. In de schaamte trek ik mij terug. Ik wil niet (zo) gezien worden. Ik krijg een kleur of ik verberg me.
Schaamte is dus een emotie die sociaal gedrag corrigeert. Het is vooral een emotie die zich voordoet in de exposure, de blootstelling, met anderen. De anderen verwoorden of uiten niet zozeer wat er hoort en niet hoort, maar zij vertegenwoordigen de sociale codes. Ik schaam me, omdat ik mij zie door de ogen van die ander.
Een laatste belangrijk kenmerk in dit verband betreft het verschil tussen schaamte en schuld. Bij schuld doe ik iets fout, dat ik eventueel recht kan zetten en waarvan ik verontschuldigd kan worden. Schaamte gaat daarentegen over wie ik ben. De gehele persoon heeft het gevoel niet goed te zijn, als mens niet te voldoen, in plaats van iets niet goed te doen. Veel arme mensen in Nederland schamen zich.

en armoede

Het lijkt me hier niet nodig uiteen te zetten dat er in Nederland armoede bestaat. Ik veronderstel dat de lezer(es) op de hoogte is van het bestaan ervan. Hier wil ik de schaamte die gepaard gaat met armoede naar voren brengen.
In 2016 werd in het noorden van Nederland de volgende praktijk aangetroffen. Een aantal uitkeringsgerechtigden moest in het kader van de re-integratie onder begeleiding boodschappen doen bij een supermarkt, om zodoende te leren wat goedkope en gezonde producten zijn. De blog meldt:
“De groep werd ergens midden in de winkel samengeroepen, en onder toeziend oog van het andere winkelende publiek werd de inhoud van hun karretjes aan de kritische blik van de cursusleider onderworpen. Wel gezond, niet gezond. Nadat zo het koopgedrag van de cursisten openlijk werd bekritiseerd, werden ze verzocht alle artikelen weer op hun plaats terug te zetten. Ook die diepvriesvis die al drie kwartier in de kar had gelegen. Met lege karretjes schoven ze tenslotte langs de kassa richting uitgang. Mijn kennis keek mij aan. “Ik schaam me hartstikke dood”, zei hij.” (http://www.doorbraak.eu/vernederende-dwangarbeid-verplicht-winkelen-en-dan-alles-weer-terugleggen/ (02112016).
De gepubliceerde praktijk riep alom verontwaardiging op en werd onmiddellijk (tijdelijk!) stil gelegd. Ik citeer deze blog hier niet om de verontwaardiging opnieuw op te roepen, maar omdat ik de geschetste situatie typisch vind voor schaamte in relatie tot armoede. De publieke confrontatie tussen de blogger en de ‘kennis’, de publieke exposure van de arme als arme binnen een kader van gewenst en blijkbaar afwezig geacht gedrag, namelijk het leren kopen van gezond eten in een goedkope supermarkt, roept schaamte op. Daarnaast gaat achter de geschetste praktijk de veronderstelling schuil, dat armen niet zouden weten wat gezond en goedkoop eten is.

Waarvoor schamen armen zich?

Met de hierboven beschreven kenmerken, dat schaamte optreedt voor de ogen van anderen, zal het geen verwondering wekken dat veel mensen die de voedselbank bezoeken zich schamen. Onder het oog van een ander wordt zichtbaar dat men voor voedsel afhankelijk is van de voedselbank.
In blogs, tijdschriften en wetenschappelijke literatuur onderzocht ik waarover arme mensen zich schamen. Je zou daarvoor vier gebieden kunnen aanwijzen. Het eerste is dat men zich schaamt om niet met het gewone sociale consumentengedrag te kunnen meedoen: kinderen kunnen geen cadeautje meebrengen op een verjaardagsfeestje, men kan niet meedoen aan familiebijeenkomsten; men schaamt zich dat hun kinderen niet de merkkleding kunnen dragen die veel andere kinderen wel bezitten. Dat laatste zou ook herkend kunnen worden als tweede gebied: men schaamt zich niet te kunnen zorgen zoals men dat graag zou willen: merkkleding voor de kinderen; de kinderen goed voedsel kunnen geven. Vrouwen schamen zich voor klassieke vrouwentaken, zoals het geven van de goede zorg aan kinderen; mannen schamen zich klassiek over dat ze geen goede kostwinner zijn die voor het gezin kan zorgen. Veel uitspraken betreffen een derde gebied: afhankelijkheid. Mensen schamen zich afhankelijk te zijn van een uitkering of van de extra zorg van familie. Men schaamt zich, omdat men geen beroep leerde om zelfstandig in het inkomen te kunnen voorzien, of men schaamt zich dat men een beroep heeft dat laagbetaald is. Het vierde en laatste gebied betreft schaamte over gebeurtenissen: men schaamt zich over de echtscheiding, over de verkeerde financiële keuzes en de hypotheek die bij de scheiding onder water stond; over de niet afgemaakte opleiding, over verkeerde financiële besteding. Men schaamt zich, omdat men de armoede beschouwt als gevolg van eigen falen.
De schaamte over armoede heeft grote gevolgen voor de armen. Materiële armoede heeft als kenmerk dat het de sociaal maatschappelijke deelname van mensen verhindert: er is geen geld om deel te nemen aan sociale gebeurtenissen. Schaamte versterkt dit. Vanwege de schaamte trekken mensen zich terug op zichzelf. De onmogelijkheid (in eigen ogen) om te kunnen voldoen aan sociale verwachtingen, maakt dat het psychisch welzijn van armen verder wordt aangetast. Dat verbetert niet het zelfbeeld. Men trekt zich terug, wordt maatschappelijk onzichtbaar. Als de idee al was dat men als mens niet goed is, dan wordt dat door de schaamte en de gevolgen daarvan versterkt.

Ideale mensen

In hun schaamte laten de armen zien aan welke maatschappelijke verwachtingen mensen in de Nederlandse, of westerse samenleving, moeten voldoen: je moet zelfredzaam zijn, autonoom, je moet voor je kinderen kunnen zorgen, en voor je familie, je moet meedoen aan een bepaald consumptiepatroon, je opleiding afmaken, geen verkeerde financiële inschattingen maken. Je mag geen fouten maken en als je die maakt ben je daar zelf verantwoordelijk voor. Deze sociale verwachtingen zijn in hen en in allen gegrift. In de schaamte ervaren en beseffen de armen dat zij niet tot dit ideale menstype behoren. In zekere zin dragen zij, innerlijk en sociaal, de last van het niet voldoen aan dit mensbeeld, aan deze sociale verwachtingen. Armen dragen de last van dominante mensbeelden, waarvan zij uitgesloten zijn of worden. Maar niet alleen armen zijn doortrokken van deze mensbeelden, waaraan zij willen, maar niet kunnen voldoen. Het lijkt of in de geïndividualiseerde westerse cultuur eenieder is overgelaten aan de eigen verantwoordelijkheid. Wie deze verantwoordelijkheid niet kan dragen, betaalt een hoge prijs: de schaamte die iemand tot niemand maakt, die mensen op zichzelf terugwerpt in onzichtbaarheid.

Wat, in Godsnaam, kunnen we daarover zeggen?

Er worden initiatieven genomen om te proberen de concrete schaamte van armen te voorkomen. Zo wordt in kleding- en voedselbanken gepoogd mensen niet aan elkaars blikken bloot te stellen, zodat de schaamte-confrontatie uit kan blijven. Dat is van belang. Maar de sociale verwachtingen en mensbeelden die vervat liggen in de schaamte zijn niet zomaar weg te nemen. De last die de armen daarin dragen is eenieders last. Wat, in Godsnaam, staat daar dan tegenover?
De theologische tradities zijn vol antwoorden. Armoede vraagt om antwoorden van gerechtigheid, het vraagt om solidariteit, om bereidheid tot delen, om het vermogen tot luisteren. De aanwezigheid van schaamte en de daarin verborgen dominante mensbeelden, vragen daarnaast om een andere invalshoek die sterker gericht is op de mensbeelden en intermenselijke verhoudingen. Ik denk dat een belangrijk aanknopingspunt ligt in de genade, in de betekenis van onvoorwaardelijke liefde en generositeit. Genade biedt ons een blik op onszelf in de werkelijkheid, die de vastgelegde mensbeelden in ons kan doen verkruimelen.

Genade

In de christelijke theologische tradities is het begrip ‘genade’ omgeven met allerlei andere begrippen. Daar horen bij: afkomstig van God, gulheid, onvoorwaardelijkheid, goedheid, gegevenheid en, daarbij behorend: liefde. Als gelovigen leven we in het bewustzijn van de onvoorwaardelijke liefde van God, die er is vanaf het begin. God schept het leven, geeft het leven, in alles wat er is. Die genade, de gave van de schepping, komt van God en niet van mensen. De genade is de gave van het mysterie van God. Dat staat voorop. Sommigen hebben gemeend (en menen nog) dat genade door mensen ‘gemaakt’ kan worden, maar dat inzicht deel ik niet. Genade is gave van God aan mensen. Die gave is die van onvoorwaardelijke liefde. Er is geen als-dan redenering in die gave. De liefde is er ‘om niet’. De onvoorwaardelijke liefde zegt het tegenovergestelde van het mensbeeld: je telt pas mee als je onafhankelijk en verantwoordelijk voor jezelf kunt zorgen. De onvoorwaardelijk liefde laat weten, voor zover we dat kunnen weten, dat God altijd en steeds opnieuw met mensen optrekt en de goedheid van het leven laat zien. Die liefde is onbegrensd, gul, genereus, gratis. Het is hardnekkige en volgehouden liefde.
Die genade van God is van God en laat zich niet afdwingen, noch methodisch imiteren. Als we leven met een vermoeden van die onvoorwaardelijke liefde, als we deze innerlijk kennen en in de wereld om ons heen herkennen, kunnen we een vorm van generositeit ten opzichte van elkaar ontwikkelen, waarin we openstaan voor elk menselijk voorkomen en waarin de vastgelopen mensbeelden verkruimelen. De onvoorwaardelijke liefde toont een principiële en praktische openheid voor elkaar.

Hoe zou dat kunnen?

Ik wil het beeld gebruiken, dat we elkaar altijd omarmen, zoals in de hartelijke omhelzing van vrienden en dierbare familie onder elkaar. Een omarming die bij voorbaat van die ander houdt. Ongelukkigerwijs is dat niet lichamelijk uit te voeren in een historische context, waarin lichamelijke hartelijkheid door gelovigen in de parkeerstand moet worden gezet. Maar laten we ons voornemen om elkaar te omarmen, vanuit de ziel. Dat zou een totaal andere benadering tonen dan het beeld van iemand die zich terugtrekt, omdat hij of zij denkt niet te voldoen aan sociale verwachtingen, niet goed te zijn en bevriest in een mensbeeld. Deze ‘spirituele’ omarming ziet allereerst een mens.
Het ingewikkelde van die onvoorwaardelijke liefde voor de armen is, dat we allen, de armen en de niet-armen, zijn vastgelopen in mensbeelden over autonomie en zelfredzaamheid. Het vraagt daarom om een continue oefening, om steeds opnieuw de ander innerlijk te omarmen, te benaderen vanuit een menselijke liefde, zoals we vermoeden en geloven dat God ons liefheeft. De omarming lost de schaamte niet op, net zo min als de armoede. Een principieel open benadering naar elkaar, zoals ons aangereikt in de onvoorwaardelijke liefde van God, kan mogelijk de vastgelopen maatschappelijke mensbeelden verkruimelen. Laten we daarom oefenen in hardnekkige en volgehouden liefde.

Reacties graag sturen naar:
t.versteegen@aartsbisdom.nl

Trees Versteegen is theoloog en diaconaal diocesaan werker
Dit artikel verscheen eerder in Diaconie & Parochie 2018-3