logo-knooppuntkerkenenarmoedespacer-100x5Knooppunt Kerken en Armoede

  • 7-slide
  • 1-slide
  • 4-slide
  • 5-slide
  • 8-slide
  • 3-sliide
  • 2-slide

Meer huishoudens langdurig onder lage-inkomensgrens in 2015

  • Aantal arme huishoudens blijft gelijk
  • Aantal langdurig arme huishoudens neemt toe
  • Eenoudergezinnen blijven kwetsbaarste groep
  • Meer kinderen in huishoudens met langdurige armoede, met name eenoudergezinnen en bijstandsgezinnen

Langdurige armoede

Steeds meer Nederlanders die in armoede leven, slagen er niet in om eruit te komen, hoewel het economisch beter gaat. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2015 nam het aantal mensen dat minimaal vier jaar lang onder de armoedegrens leeft met 14% toe, tot 221.000. Dat is 3,3% van alle huishoudens. Daarmee is de armoede hardnekkiger geworden. Vooral vijftigers hebben moeite om uit de armoede te komen, zelfs nu er meer banen bij komen. Als je 50 bent en je je baan kwijtraakt, is het niet zo makkelijk om weer aan het werk te komen. In 2015 was het economisch herstel pril. De extra banen gingen vooral naar jongeren. Mensen van boven de 50 staan achteraan op de arbeidsmarkt.

Totaal aantal armen

Het totaal aantal huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens is in 2015 nagenoeg gelijk gebleven. Van de ruim 7 miljoen huishoudens in 2015 moest 8,8 procent (626 duizend huishoudens, ofwel 1,2 miljoen mensen) rondkomen van een inkomen onder de lage inkomensgrens en liep daarmee risico op armoede. Dit is net zoveel als in 2014. In 2014 daalde het aantal huishoudens met een laag inkomen nog met 21 duizend.
Van armoede is sprake als het inkomen niet voldoende is om een bepaald consumptieniveau te realiseren dat in Nederland als minimaal noodzakelijk wordt geacht. Het CBS maakt voor het meten van armoede gebruik van de lage-inkomensgrens. Deze grens lag in 2015 op 1030 euro per maand voor een alleenstaande en op 1930 euro voor een echtpaar met twee kinderen. Inzichten over wanneer er sprake is van armoede, zijn subjectief. Daarom spreekt het CBS niet van arme huishoudens, maar van huishoudens met een laag inkomen of van huishoudens met risico op armoede.

Een op de vier eenoudergezinnen heeft laag inkomen

Onderscheiden naar samenstelling van het huishouden krijgen eenoudergezinnen met minderjarige kinderen het vaakst te maken met risico op armoede. Ruim een kwart van de eenoudergezinnen moest in 2015 rondkomen van een laag inkomen, minder dan voorgaande jaren. De daling kan deels worden verklaard door de verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders in 2015, waardoor de koopkracht van alleenstaande ouders met betaald werk toenam.
In 2015 leefde 1 op de 12 eenoudergezinnen met minderjarige kinderen al minstens vier jaar achtereen onder de armoedegrens. Dit was 0,3 procent meer dan in 2014.

320 duizend kinderen met risico op armoede

In totaal groeiden in 2015 ruim 320 duizend minderjarige kinderen op in een huishouden met een laag inkomen. Voor 125 duizend van hen was dit het vierde jaar achtereen, 8 duizend meer dan in 2014. Vier op de tien van deze kinderen groeiden op in een eenoudergezin en zes op de tien maakten deel uit van een bijstandsgezin.

Nibud: ook in 2017 tekorten voor mensen in de bijstand

Het Nibud komt, aansluitend op de nieuwe cijfers van het CBS, in het vakblad Sociaal Bestek met cijfers waaruit blijkt dat bepaalde groepen in de bijstand ook in 2017 tekorten blijven houden. Voor paren in de bijstand met drie of meer kinderen is het basispakket niet betaalbaar.
Het Nibud stelt elk jaar een pakket samen met voor iedereen noodzakelijke uitgaven zoals voedsel en een dak boven het hoofd, het zogenaamde basispakket. Er zijn verschillen tussen huishoudtypen. Voor paren in de bijstand met drie of meer kinderen is het basispakket in 2017 niet betaalbaar. Deze gezinnen moeten bezuinigen op posten als kleding, inventaris en soms zelfs voeding.
Andere groepen met een bijstandsuitkering kunnen wel het basispakket betalen, maar daarna is er nauwelijks nog geld voor sociale participatie zoals sport en culturele activiteiten. Dit geldt voor alleenstaanden onder de AOW-grens, alleenstaande ouders met meer dan twee kinderen en paren met minder dan drie kinderen. Deze groepen lopen een verhoogd risico op sociale uitsluiting.
Voor huishoudens met een laag inkomen is het extra noodzakelijk dat ze goed kunnen budgetteren. Het is ook nodig dat ze alle landelijke en gemeentelijke tegemoetkomingen en toeslagen aan weten te vragen. De ondersteuning voor kwetsbare gezinnen loopt echter vaak mis door met elkaar botsende wet- en regelgeving.

Methodewijziging
De inkomensstatistiek van het CBS is herzien. De herziening ging gepaard met een neerwaartse bijstelling van het aantal huishoudens onder de lage-inkomensgrens. Voor 2014 ging het hierbij om een aanpassing met 85 duizend huishoudens (1,2 procentpunt). Voor een groot deel is dit toe te schrijven aan een flinke opwaardering van het voordeel dat huishoudens ontlenen aan eigenwoningbezit. Eigenwoningbezitters worden hierdoor minder vaak dan voorheen tot de groep met (langdurig) een laag inkomen gerekend.

Klik hier voor het persbericht van het CBS.