logo-knooppuntkerkenenarmoedespacer-100x5Knooppunt Kerken en Armoede

  • 3-sliide
  • 8-slide
  • 7-slide
  • 4-slide
  • 5-slide
  • 2-slide
  • 1-slide

Samen tegen armoede – hoofdstuk 2

Vinden van mensen in nood

Niemand loopt met zijn financiële problemen te koop. En aan de buitenkant kun je het vaak niet zien. Mensen houden het vaak lang voor zichzelf waardoor diaconale organisaties regelmatig verzuchten ‘waren ze nou maar eerder gekomen’. De vraag is dan ook: hoe kom je deze mensen nou op het spoor?

Hoe vind je mensen met een hulpvraag?

Als diaconale organisaties blijven wachten tot mensen zich spontaan melden, zullen zij maar weinig aanvragen krijgen. Diaconale organisaties moeten zelf heel actief zijn in het eigen werkgebied en gaan netwerken om in contact te komen met mensen in nood.

In het verleden kwamen veel aanvragen binnen via pastorale beroepskrachten. Dat kanaal droogt langzaam op. Pastorale beroepskrachten doen nauwelijks meer huisbezoek en hun werkgebied is ook veel groter geworden door samenvoeging van geloofsgemeenschappen.

Netwerken binnen de eigen geloofsgemeenschap

Om armen in de eigen geloofsgemeenschap op het spoor te komen, is het van belang goede contacten te leggen met werkgroepen, die om pastorale redenen met mensen contact hebben. Je kunt dan denken aan diaconale bezoekers, pastorale bezoekgroepen, wijkcontactpersonen, rouwgroepen, avondwakegroepen, e.d. Omdat er relatief veel armoede is onder kinderen, kun je ook denken aan werkgroepen voor de voorbereiding van de sacramenten (doop, eerste communie, vormsel) of de kindernevendienst. Zij kunnen functioneren als de ogen en oren van diaconale organisaties. Deze vrijwilligers zijn niet gewend om signalen van armoede op te vangen, maar als diaconale organisaties hen helpen om hiervoor gevoelig te worden, kunnen zij van onschatbare waarde zijn. Die contacten moeten wel regelmatig onderhouden worden. En vergeet de pastorale beroepskrachten en leden van pastoraatsgroepen niet.

Op signalen van armoede letten

Om armoede te kunnen zien kun je alert zijn op bepaalde signalen. Je kunt tijdens huisbezoeken op kleine dingen letten. zoals: hebben mensen nog beschikking over telefoon of krant? Luister en lees tussen de regels van verhalen door: zijn mensen op vakantie geweest, op verjaardagsvisite van familie of vrienden, op ziekenbezoek, of niet? Maken ze geen gebruik van auto of openbaar vervoer of fiets, en lopen ze juist. Kijk naar eetpatronen van mensen. Kijk naar kleding, schoeisel, hoe mensen zich verzorgen. Vraag naar werk dat mensen doen, of hoe ze rond kunnen komen. Hoe brengen mensen de tijd door? Wat belemmert hen eventueel om naar buiten te gaan? Is het in het najaar of winter koud in het huis? Zijn er verlieservaringen: van werk, relaties, inkomen, woning, sociale contacten? Is er moeite om op tijd huur te betalen, premie zorgverzekering, rekening energie of water? Is er sprake van budgetbegeleiding of bewindvoering?
Probeer signalen van armoede, die je waarneemt, bespreekbaar te maken. Praat er in ieder geval over. Zoek een opening die niet bedreigend overkomt, maar wel informatie kan bieden die misschien leidt tot een hulpvraag.

Netwerken binnen het werkgebied

Ook buiten de geloofsgemeenschap kan contact gezocht worden met organisaties die te maken hebben met mensen in armoede. Je kunt dan denken aan diaconale organisaties van andere kerkgenootschappen en hun overleggroepen (Diaconaal Platform, interkerkelijk Wmo-platform, e.d.). Je kunt ook denken aan allerlei professionele en vrijwilligersorganisaties, voedselbanken, kledingbanken, ruilwinkels, inloophuizen, maaltijdprojecten, wijkcentra, huisartsen etc.

Sleutelfiguren aanspreken

Een sleutelfiguur is iemand die op grond van zijn of haar levensgang, beroep, vrijwilligerswerk of woonsituatie geacht mag worden een goed zicht te hebben op (een deel van) het werkgebied van de diaconale organisatie, in het bijzonder op het gebied van armoede. Meestal is hij of zij niet zelf arm, maar heeft wel directe contacten met mensen in armoede.

Wees er alert op dat binnen de eigen geloofsgemeenschap mensen te vinden zijn die vanuit hun beroep of maatschappelijk vrijwilligerswerk al de nodige kennis en ervaring met armoede en het bestrijden ervan kunnen inbrengen. Zo kunnen artsen, maatschappelijk werkers, medewerkers van de sociale dienst, gemeenteraadsleden en vele anderen ook lid van de gemeente of parochie zijn. Zij zouden af en toe of voor langere tijd kunnen meedoen met het signaleren van armoede en het in kaart brengen van problemen en oplossingen.

De volgende organisaties en personen kunnen als sleutelfiguren informatie geven: medewerkers sociale dienst, cliëntenraden, ouderenbonden, ouderenadviseurs, inloophuizen, buurthuizen, voedselbanken, schuldhulpverlening, maatschappelijk werkers, huisartsen, schooldirecteuren, wijkverpleegkundigen, wijkagenten, sociaal wijkteam, woningbouwcorporaties, migrantenorganisaties, vluchtelingenwerk, Leger des Heils.

Je mag van deze organisaties niet verwachten, dat zij namen en adressen van potentiële hulpvragers doorgeven. Dat zou ingaan tegen de privacywetgeving. Het gaat meer om oriënterende gesprekken, waarmee je jouw inzicht in de problemen vergroot. Zij kunnen wel verwijzers worden, als zij door het contact inzicht hebben gekregen in wat een diaconale organisatie aan noodhulp kan doen. Een aardige vraag in een gesprek met een sleutelfiguur is: “Wat zou u doen, als u lid van onze diaconale organisatie was?”

Sociale kaart maken

Je kunt ook systematisch in kaart brengen hoe het gesteld is met de armoede in het werkgebied van de diaconale organisatie en welke voorzieningen en organisaties actief zijn in armoedebestrijding. Hoe groot is de groep mensen die in armoede moeten leven, welke kenmerken hebben ze, waar wonen ze vooral, welke ontwikkelingen doen zich voor? Dit noemen we wel het maken van een ‘sociale kaart’ (zie hoofdstuk 3).

Als uit de sociale kaart blijkt dat in bepaalde wijken of doelgroepen bovengemiddeld veel armen zijn, dan kun je als diaconale organisatie gericht verdere stappen nemen, bijvoorbeeld door te gaan praten met sleutelfiguren in deze gebieden en met hen te bezien wat je zou kunnen doen; of door juist in dit gebied een laagdrempelige activiteit op te zetten, zoals een maaltijdproject. Gebruik de informatie vooral om in kaart te brengen wat er al is. Dan kun je besluiten waar je eventueel zelf een leemte kunt vullen, wat je aan anderen overlaat of waar je anderen kunt versterken.

Eigen vindbaarheid

Het heeft wel wat weg van de slang die in zijn eigen staart bijt, maar voor het signaleren van behoeften is direct contact met de doelgroep zelf ook een belangrijke bron. Bedenk eens op welke plekken of bij welke gelegenheden je arme mensen zou kunnen ontmoeten. Wees daarbij aanwezig, ga in gesprek en houd je ogen en oren open. Je kunt bijvoorbeeld denken aan aanwezigheid bij een uitdeelpunt van de voedselbank, een kledingbank of winkel in tweedehandsspullen.

Het is ook belangrijk, dat de doelgroep jou kan vinden. Dat kan bijvoorbeeld door laagdrempelige activiteiten te organiseren, zoals inloopactiviteiten en maaltijdprojecten of je aan te sluiten bij activiteiten die anderen organiseren. In enkele plaatsen in Nederland heeft men goede ervaringen opgedaan met het huis-aan-huis verspreiden van ‘Kanskaarten’. Daarop staat vermeld: ‘Hebt u een laag inkomen? Dan heeft u mogelijk recht op aanvullende voorzieningen zoals…’ Naast een overzicht van deze regelingen bevat de kanskaart ook adressen voor hulp bij het aanvragen van deze aanvullingen.

Zorg daarnaast voor aandacht voor je activiteiten in de algemene media (zie verder ook hoofdstuk ‘Publiciteit’). Zorg dat je goed in beeld hebt wat je eigen (on)mogelijkheden zijn en communiceer die. Hanteer daarbij een helder protocol waaruit blijkt hoe je helpt en hoe je met privacy omgaat.

>> Door naar hoofdstuk 3 >>

Naar startpagina handreiking ‘Samen tegen armoede’