logo-knooppuntkerkenenarmoedespacer-100x5Knooppunt Kerken en Armoede

  • 1-slide
  • 3-sliide
  • 2-slide
  • 4-slide
  • 7-slide
  • 8-slide
  • 5-slide

Over solidariteit gesproken

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

Solidariteit is een kernbegrip als het gaat om eerlijk delen. Maar wat wordt er precies onder verstaan en welke soorten solidariteit zijn te onderscheiden? Hub Crijns, lid van de stuurgroep Knooppunt Kerken en Armoede, deed grondig onderzoek.

Betekenissen

Over solidariteit wordt veel gesproken, en wie zich een beetje verdiept in de betekenissen, komt er al snel vele tegen. Het internet levert meer dan 21 definities op. Volgens Wikipedia is “‘Solidariteit’ het bewustzijn dat alhoewel individuen verschillende taken, interesses en waarden hebben, de orde en samenhang van de maatschappij afhangt van het elkaar kunnen vertrouwen voor het uitvoeren van die specifieke taken. Dit houdt in dat individuen inzien dat het verdedigen of het verder helpen van andermans belangen uiteindelijk in het belang van het individu zelf is. Het kan daarmee bijdragen aan de sociale cohesie.”

Volgens het woordenboek Van Dale is solidariteit “bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen”, en solidair betekent: “door een gevoel van samenhorigheid verbonden”. Saamhorigheid is “het besef, het gevoel van bij elkaar te horen en elkaar te moeten steunen”. Het woord solidair is afgeleid van het latijnse ‘solidum’, dat dicht, degelijk, stevig kan betekenen, alsook het geheel. Het begrip solidariteit is terug te voeren op het Romeinse recht: in solidum obligare, een term die wijst op de aansprakelijkheid van iedere schuldenaar voor het geheel of het totaal van de schuld. ‘Solidus’ is direct verwant aan het werkwoord ‘solidare’ dat dichtmaken, samenvoegen en versterken betekent. Het werkwoord duidt op het actieve proces, het handelen, waarvan ‘stevigheid’ het resultaat is.

Volgens de digitale lokale encyclopedie verwijst solidariteit naar het idee van saamhorigheid, betrokkenheid bij de strijd of het lijden van anderen. Het begrip kwam in de jaren zestig in zwang bij groepen in het Westen die betrokken waren bij sociale strijd in derdewereld landen. Veel landencomités zijn solidariteitsgroepen die zich verbonden voelen met de democratische oppositie in landen met een onderdrukkend regime.

Het begrip ‘solidariteit’ werd in de Nederlandse politiek tot 1935 niet of nauwelijks gebruikt, ook niet door de sociaaldemocraten. (Zie verder: A.E. Komter (e.a.), Het cement van de samenleving. Een verkennende studie naar solidariteit en cohesie (Amsterdam 2000). En toen ‘solidariteit’ na 1935 wel werd gebruikt, gebeurde dat de eerste twintig jaar eigenlijk vooral in de context van ‘internationale solidariteit’. Pas na 1950 komt ‘solidariteit’ meer voor in politieke praktijken, waarbij men de bereidheid uit om op basis van wederkerigheid en loyaliteit – al dan niet uit welbegrepen eigenbelang – te delen in geld en middelen.

Uit een inleiding over ‘solidariteit’ komt de volgende zin: “Zo onderscheidt men vandaag tussen ‘warme’ en ‘koude’ solidariteit, tussen solidariteit als onderdeel van de rechtvaardigheid, dan wel als ‘het andere’ van de rechtvaardigheid, tussen symmetrische en asymmetrische, expressieve en instrumentele solidariteit, enzovoorts.” En even verderop: “Hoe komt het dat het politiek-ideologische debat over solidariteit gedurende de hele twintigste eeuw beheerst werd door de tegenstelling tussen ‘collectivisme’ en ‘liberaal-individualisme’, zodat de term hetzij door één van de beide kampen werd geannexeerd en bezet, hetzij gepresenteerd moest worden als synthese van deze beide ‘ismen’? (Theo de Wit en Henk Manschot, Solidariteit, Boom , Amsterdam 1999, pag. 9).

Positieve en negatieve verbondenheid

Met ‘solidariteit’ en zijn vele betekenissen gaat een positieve energie mee en een negatieve. (Bij het maken van dit artikel is gebruik gemaakt van een werkpaper van Paul de Beer: http://www.pauldebeer.nl/documenten/papers/wat%20is%20solidariteit.doc.)
In de betekenis van ‘lotsverbondenheid’ is er als eerste een positief aspect: wie solidair is met een ander, geeft om het wel en wee van die ander. Dit impliceert de bereidheid de ander bij te staan of hulp te verlenen indien deze bijstand of hulp nodig heeft. Bij positieve lotsverbondenheid hangt het lot van verschillende groepen of personen juist in positieve zin met elkaar samen: de een heeft baat bij het welbevinden van de ander.
En rond ‘lotsverbondenheid’ is als tweede een negatief aspect te noemen, dat naar voren komt als twee of meer groepen elkaar bestrijden. De ene groep is dan gebaat bij het verlies of de ondergang van de andere groep, een negatieve energie.

Mechanische en organische solidariteit

Emile Durkheim(1858-1917) is de eerste wetenschapper die als socioloog nadenkt over het begrip ‘solidariteit’. Hij onderscheidt op grond van zijn onderzoek van de soorten samenlevingen twee vormen: de mechanische en de organische solidariteit.
De mechanische solidariteit verbindt Durkheim aan de feodale agrarische samenleving met vastliggende standen, normen en waarden. Mensen doen dagelijks hetzelfde, denken en oordelen in gelijke mate en vechten tegen dezelfde natuurelementen om te overleven. Mensen zijn zo aan elkaar gelijk en het individu is afhankelijk van de groep, het individueel bewustzijn gaat op in de groepsidentiteit. In deze traditionele samenleving zijn de meeste families grotendeels zelfvoorzienend en zij dragen een deel van hun inkomsten af aan de hogere standen, die in ruil daarvoor bescherming leveren. In traditionele samenlevingen zijn de mensen niet sterk geïndividualiseerd, zijn sterk meelevend met hun medemens en op veel punten vallen individueel belang en groepsbelang samen. Solidariteit door gelijkenis, door verbondenheid, door samenleven is vanzelfsprekend.
De organische solidariteit verbindt Durkheim met de moderne industriële maatschappijen, waarin mensen door arbeidsdeling hun voortbestaan kunnen regelen. De arbeidsdeling laat mensen meer als aparte individuen functioneren, en maakt tegelijk ieder van ieder afhankelijk. Het eigen specialisme maakt een mens individu, die aan zijn vakvaardigheid individuele identiteit ontleend. Tegelijk is die ene weer afhankelijk van een ander. Zonder de boer geen graan, zonder de bakker geen brood, zonder de metselaar geen huis, zonder de naaister en spinster geen kleding. De vele specialistische functies die mensen vervullen, zijn als de organen van een lichaam die elk afzonderlijk, gescheiden van de rest, niet kunnen functioneren. Maar samen vormen ze een krachtig en levensvatbaar geheel. Deze onderlinge afhankelijkheid en lotsverbondenheid benoemt Durkheim als organische solidariteit.

Bronnen van solidariteit

In de moderne samenleving zien we dat mensen met al hun verschillende levenswijzen, noden en ambities aan de ene kant hun eigen weg zoeken en aan de andere kant in een redelijke mate van orde samenleven. Hoe kan dat? Volgens sociale wetenschappers zijn de mechanismen van ‘solidariteit’ daartoe verantwoordelijk. (zie verder op: http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/begrippen/bronnen.pdf)

Onder ‘solidariteit’ verstaan we dan de bereidheid om met elkaar te delen en te herverdelen vanuit een gevoel van lotsverbondenheid en loyaliteit. We kunnen materiële middelen delen, maar ook immateriële zaken zoals tijd, ruimte en identiteit. Wat maakt nu dat mensen zich verbonden weten met een gemeenschap? Wat zet mensen aan om te delen en te herverdelen? Uit een zoektocht in de sociologische literatuur komen vier onderscheiden bronnen van solidariteit naar voren: wederzijdse afhankelijkheid, gedeelde waarden en normen, strijd en ontmoeting. Daar zijn uit andere bronnen nog twee aan toegevoegd: kennis en vertrouwen.

De eerste bron voor solidariteit is wederzijdse afhankelijkheid. Dat is het onderliggende samenlevingsproces, dat Durkheim ziet in zowel de mechanische solidariteit van traditionele samenlevingen, als in de organische solidariteit van industriële samenlevingen.

De tweede bron voor solidariteit is te herleiden naar waarden en normen, naar levensbeschouwelijke of ideologische visies. Waarden over de mens, over mensen, over relaties tussen mensen, over het handelen van mensen in verleden, heden en toekomst, leiden tot een soort spelregels, waarin afspraken worden gemaakt voor doen en laten, voor ambities en plichten. Gemeenschappelijke eenheid over een minimum aantal waarden en normen zijn nodig om met zoveel verschillende mensen te kunnen samenleven. Als mensen dus waarden gemeenschappelijk delen, waardoor ze verantwoordelijkheden op zich nemen en verplichtingen (normen) aangaan, ontstaat solidariteit.

De derde bron voor solidariteit is strijd. Strijd gaat om macht: wie heeft het voor het zeggen in de groep, beweging van groepen, het geheel? Daarom ontstaat solidariteit uit strijd. Mensen kunnen samen ten strijde trekken om iets te bereiken, en vormen zo met elkaar sterke vormen van lotsverbondenheid. En die strijdsolidariteit verbindt niet alleen, maar verdeelt tegelijkertijd, sluit anderen uit. In de sociale geschiedenis zijn ideologische tegenstanders geen deel van de groep die solidair is.

Een vierde bron van solidariteit is ontmoeting. Ontmoeting komt tot stand op een microniveau, daar waar mensen elkaar al dan niet toevallig tegenkomen. Het ontmoeten van mensen leidt tot met eigen oren en ogen waarnemen, ervaren van wat het lot of de situatie van een ander is, hetgeen kan leiden tot betrokkenheid, begaan zijn met, in actie komen voor, kortom solidariteit. Op individueel niveau leren mensen via ontmoeting elkaars cultuur, levensbeschouwing of ideologie beter kennen en begrijpen. Dit leidt tot wederzijds
respect en tolerantie, die weer inspiratiebron kunnen zijn voor georganiseerde vormen van solidariteit.

Een vijfde bron van solidariteit is kennis. Het gaat daarbij niet om uitputtende kennis, maar voldoende kennis om een afweging rond risico’s te kunnen maken. Risicofactoren als ziekte, gehandicapt worden, verlies van een partner, overlijden, brand of ongeluk hoeft niet ieder mens uitgebreid te kennen. Evenmin is het gewenst dat er kennis is over wanneer iemand ziek, gehandicapt wordt of overlijdt. Er is een bepaalde ‘sluier van onwetendheid’ nodig omtrent de risico’s die een mens zelf en de anderen lopen. Solidariteit is gebaseerd op een rationele afweging van de kosten en baten van het delen van bepaalde risico’s, en op basis van die kennis kunnen afspraken gemaakt worden.

Een zesde bron van solidariteit is vertrouwen. Vertrouwen als waarde is belangrijk tussen mensen die solidair willen zijn met elkaar. Het is tevens de ondergrond waarop afspraken gemaakt worden. Mensen dienen voldoende vertrouwen te hebben dat de anderen, wanneer men zelf schade leidt, bereid zijn hun solidariteit tot uitdrukking te brengen. En mensen dienen er op te kunnen vertrouwen, dat iemand alleen een beroep doet op solidariteit, als dat echt noodzaak is. Onder de waarde van vertrouwen gaan dus ook andere waarden schuil als wantrouwen, misbruik, meeliften, etc.

Sociale cohesie of samenhang

Wie over ‘solidariteit’ praat, komt al snel ‘sociale cohesie’ tegen. Gevleugeld is de term van Herman Bode, oud vakbondsvoorzitter: ‘solidariteit is het cement van de samenhang’ ofwel datgene wat alles samenvoegt en samenhoudt. Van hier uit bekeken is sociale cohesie een ruimer begrip dan solidariteit, komt er uit voort. Sociale cohesie kan zijn gebaseerd op solidariteit, dat wil zeggen op gevoelens van saamhorigheid, maar dit hoeft niet. Sociale cohesie kan ook het product zijn van zuiver zakelijke en onpersoonlijke relaties. Zo beschouwde Durkheim (1893-1997) de maatschappelijke arbeidsdeling als de belangrijkste bron van sociale cohesie. Het feit dat ieder een eigen taak vervult in de samenleving, waardoor men voor zijn bestaan sterk afhankelijk is van anderen, vormde in zijn visie het ‘cement’ van de samenleving. Je kan daar ook weer anders naar kijken vanuit een meer economisch liberaal perspectief, zoals bijvoorbeeld Adam Smith al ruim een eeuw eerder in The wealth of nations (1776) uiteenzette. Die gespecialiseerde arbeidstaken kan men louter uit eigenbelang uitoefenen, zonder een gevoel van welwillendheid of saamhorigheid jegens degenen aan wie de vruchten van zijn arbeid ten goede komen. Latere economische theorieën leggen uit dat de vrije markt als een soort onzichtbare hand ervoor zorgt dat, als iedereen voor zijn eigen belang zo goed mogelijk zijn best doet, er toch algemeen belang gediend wordt.

Sociaal kapitaal

Een derde begrip, dat al snel opduikt, is dat van ‘sociaal kapitaal’. In de economie zijn arbeid, kapitaal en grondstoffen als productiefactoren benoemd. Arbeid wordt na de jaren zestig al snel vertaald naar menselijk kapitaal, waarbij vooral gekeken wordt naar de cognitieve vaardigheden die iemands productiviteit verhogen (zoals kennis) en grondstoffen naar fysiek kapitaal, dus de hulpmiddelen die iemands productiviteit verhogen. Sociaal kapitaal heeft dan vooral betrekking op de sociale relaties die iemands productiviteit verhogen. Interessant is in deze theorie, dat kapitaal dus de belangrijkste productiefactor wordt gezien, hetgeen overigens geen vreemd iets is in de dominante kapitalistische economie.

Politieke term

In de politiek is het begrip ‘solidariteit’ omstreden. Er staan vaak twee vormen van levensbeschouwing of ideologie of economie tegenover elkaar, zoals we eerder al zagen: de meer collectieve, sociale of communautaire en de meer individuele, liberale of kapitalistische. De eerste visie gaat er van uit dat solidariteit de cohesie en stabiliteit van een samenleving bevordert, doordat zij de gemeenschapszin stimuleert. Beslissingen worden altijd op grond van groepen genomen. Het individu maakt deel uit van groepen, draagt bij aan het geheel en kan daartoe ook verplicht kan worden. Op grond van deze visie zijn veel sociale wetten tot stand gekomen.
De tweede visie stelt dat het individu voorop gaat en dat overwegingen van solidariteit altijd op persoonlijke gronden worden genomen. De tweede visie verwoordt dat groepsbeslissingen, vooral de bij wet verplichte, de autonomie van de mens of het individu geweld aandoen. Hier kan als mening verwoord worden dat gedwongen solidariteit een contradictie in terminis (een tegenspraak in het begrip) is en dat belastingheffing of verplichte belastingbetaling wettelijk georganiseerde diefstal is.

Solidariteit als houding

Bij de gevonden definities vinden we al snel dat solidariteit verwijst naar een houding of attitude van mensen. Solidariteit als houding of attitude kan worden omschreven als het gevoel of het besef van positieve lotsverbondenheid met anderen. Het gevoel en besef duiden er op dat solidariteit een ‘richting’ heeft. Uit de politieke stromingen wordt duidelijk dat die richting eenzijdig, individueel gericht kan zijn of twee- of meerzijdig of wederkerig. Uit de bron van strijd komt ook naar voren dat solidariteit een groep kan insluiten en een groep kan uitsluiten. Er kan dus onderscheid worden gemaakt volgens de vraag op wie, op welke groep de solidariteit zich richt, of, anders gezegd, wat de reikwijdte is van de solidariteit. Verschillende soorten van solidariteit-als-houding kunnen derhalve langs (tenminste) twee dimensies worden onderscheiden, namelijk: de richting en de reikwijdte.

Horizontale en verticale solidariteit

We gaan eerst in op de richting en maken daarbij onderscheid tussen een horizontale (wederkerige) en een verticale (eenzijdige) solidariteit.
Horizontale solidariteit is gebaseerd op het rationele besef van wederzijdse lotsverbondenheid, dat zich uit in een houding. De ene mens realiseert zich dat zijn of haar lot mede afhangt van dat van de andere mens, en voor de andere mens geldt hetzelfde ten opzichte van de eerste mens. Beide mensen nemen een gelijkwaardig positie ten opzichte van elkaar in, die wederkerig is: de ene mens is solidair met de andere en de andere met de ene. En ze weten dat ze door die wederkerige solidariteit elkaar vooruit helpen. Aan deze solidariteit kan een verlicht eigen belang à la Rawls ten grondslag liggen. Rawls (Theory of Justice, 1971) betoogt dat burgers, indien zij worden geleid door verlicht eigenbelang, hun eigendomsrechten ondergeschikt maken aan de bescherming van de zwakkeren in de samenleving. Zij houden dan immers elk voor zich rekening met de mogelijkheid dat zij zelf tot de zwaksten kunnen gaan behoren. Deze horizontale solidariteit, ook wel symmetrische solidariteit genoemd, wordt vaak in de vorm gegoten van afspraken met elkaar of afspraken tussen een groep mensen of groepen mensen. Als we het woord afspraken vervangen door ‘verzekering’ betreden we het veld waar solidariteit de laatste honderd jaar steeds meer is vorm gegeven. Verzekeren is niet de enige vorm van horizontale solidariteit, maar wel de meest bekende (waarover later meer).
Verticale solidariteit berust op een gevoel van verantwoordelijkheid of plicht jegens een ander. Bij eenzijdige solidariteit, ook wel asymmetrische solidariteit genoemd, bevindt de ene mens zich op een ‘hoger’ niveau dan de andere mens. Tegenover de solidariteit van de ene mens staat geen solidariteit van de andere mens met de ene mens. Als je eenzijdig solidair bent met een ander, verwacht je niet iets terug te krijgen voor je solidariteit, behalve dan het prettige gevoel dat je belangeloos iets voor een ander hebt gedaan. Deze vorm van solidariteit kom je vooral tegen bij geven. Geven is vaak verticale solidariteit. Het begint met de gift van ouders aan kinderen, die heel lang dit karakter van verticale solidariteit heeft. Of bij de gift van kinderen, als zij hun oudere ouders bijstaan met mantelzorg. Maar onder verticale solidariteit is ook de economie van de gift terug te vinden, waarbij het geven voort kan komen uit empathie, betrokkenheid, geraakt zijn, morele plicht, appél tot geven, bijvoorbeeld via een nationale media actie, enzovoorts.

Reikwijdte van de solidariteit

De tweede dimensie waarlangs verschillende soorten solidariteit kunnen worden onderscheiden betreft de reikwijdte van de solidariteit. Hoe groot is de kring van personen waarmee men solidair is? De mogelijkheden voor de reikwijdte van de solidariteit zou men als een reeks concentrische cirkels kunnen voorstellen, die steeds groter wordt: kerngezin; clan en familie; mensen in de buurt of wijk; mensen in de stad of gemeente; mensen in een land; verbond van landen (bijv. de EU, NATO, OECD); de wereld (Verenigde Naties).
Deze lijst is niet uitputtend. Het hoeft bij de kringen waarmee men solidair is namelijk niet per se om geografische gebieden te gaan. Zo kan men ook solidair zijn met mensen waarmee afspraken gemaakt zijn, zoals een vriendenkring; een organisatie (bedrijf, school, vereniging, zoals sportclub, politieke partij of vakbond) waartoe men behoort; een maatschappelijke groep (bijv. geloofsgenoten, sociale klasse). Vervolgens kan onderscheid worden gemaakt naar de groepen waartussen overdrachten plaatsvinden. Overdrachten binnen groepen noemen we intrasolidariteit en overdrachten van oud naar jong of van de vorige naar de huidige generatie wordt intergenerationele solidariteit (ofwel solidariteit binnen en tussen generaties) genoemd. En bezien vanuit landen is er sprake van binnenlandse en internationale solidariteit.

Mate van de solidariteit: warm of koud

Vaak is de mate van solidariteit sterker naarmate de kring waarmee men solidair is kleiner is: het gevoel van solidariteit met gezinsleden is meestal intenser of ‘warmer’ dan dat met vrienden of met buurtgenoten. Naarmate de – geografische, culturele of psychologische – afstand groter wordt, worden de solidariteitsgevoelens meestal zwakker of ‘kouder’. Daardoor krijgen oproepen tot ‘internationale solidariteit’ vaak iets moeilijks over zich: men kan de leuze gemakkelijk roepen, maar het ernaar handelen of gevolg geven aan de oproep gebeurt meestal maar zwakjes.

Solidariteit als handeling

Bij de gevonden definities merken we ook dat solidariteit verwijst naar een handeling van mensen. Solidariteit als handeling, oftewel solidair gedrag, kenmerkt zich door het feit dat er geen sprake is van evenredigheid of evenwicht tussen wat iemand geeft of bijdraagt en wat hij/zij ontvangt. Degenen die het financieel beter of het beste getroffen hebben, geven, terwijl degenen die minder gunstig door het lot bedeeld worden, ontvangen. Solidariteit vermindert dus het verschil tussen ‘geluksvogels’ en ‘pechvogels’. Dit zegt overigens nog niets over de motieven om solidair te zijn. Zoals hiervoor is aangegeven kan aan solidariteit zowel welbegrepen eigenbelang als altruïsme ten grondslag liggen. Bovendien kan een solidaire handeling vrij zijn, maar ook afgedwongen zijn.
Bij solidariteit als handeling kunnen ook de twee dimensies van richting en reikwijdte worden onderscheiden. Daarnaast zijn er nog drie andere dimensies te onderscheiden, waarlangs solidair handelen of gedrag gestalte krijgt, namelijk de organisatie, de mate van (on)vrijwilligheid en de vorm. In totaal zijn er dus (minimaal) vijf dimensies van handelen: de richting; de organisatie; de (on)vrijwilligheid; de reikwijdte; en de vorm.

Private of vrijwillige en publieke of verplichte solidariteit

Solidariteit als houding en solidariteit als handeling heeft in Nederland vaak vorm gekregen via het model van verzekeren. Een groep van mensen of verschillende groepen van mensen maken met elkaar afspraken over het indekken tegen bepaalde risico’s, zoals ziekte, gehandicapt worden, verlies van een partner, overlijden. Elke deelnemer aan de afspraak betaalt per maand een bepaald bedrag aan inleg of premie. Zo ontstaat een geldpot. Wie nu door het lot een bepaald risico, dat is afgesproken, ondergaat, kan een beroep doen op een uitkering uit de pot. Voor de hoogte van dat uit te keren bedrag zijn vooraf ook weer afspraken gemaakt, evenals over de duur van de uitkering (eenmalig, gedurende een bepaalde periode, tot aan het overlijden). Zo’n afspraak of verzekering door een groep mensen of groepen van mensen noemen we private solidariteit. En de afspraak is als ander kenmerk, vrijwillig aangegaan door de mensen die er aan meedoen. Aan vrijwillige solidariteit ligt een gevoel van solidariteit ten grondslag. Uit de afspraak komt groepssolidariteit voort, maar alleen met diegenen die meedoen met de afspraak of verzekering. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld een onderlinge ziektekostenverzekering, een pensioenverzekering, een levensverzekering, een brandverzekering, een verzekering tegen handicap, een verzekering tegen inbraak en diefstal, enzovoorts.
Solidariteit als houding en solidariteit als handeling heeft in Nederland ook vorm gekregen via het model van verzekeren, waarbij naast een groep mensen of groepen van mensen ook de overheid meedoet. Dit model van verzekering heeft een bij wet vastgelegde basis en kan alle mensen in een bepaald beroep, alle mensen in een bepaalde situatie, of zelfs alle mensen betreffen. Door die verankering met wetgeving speken we van publieke solidariteit of ook over verplichte solidariteit. De solidariteit vindt plaats als je een bepaald beroep gaat uitoefenen, in een bepaalde situatie terecht komt, of burger bent van Nederland. De publieke solidariteit geldt bijvoorbeeld voor alle wetten die te maken hebben met werkgevers- en werknemerssolidariteit of met pensioenfondsen. Er is een verplichting om mee te doen. En de publieke solidariteit geldt ook voor wetgeving, die geldend is voor alle burgers van Nederland. Het gaat dan bijvoorbeeld om belastingheffing en belastingbetaling, en de algemene wetten in de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld de Wet Participatie en Inkomen of de Algemene Ouderdomswet.

Ex post (kanssolidariteit) en ex ante (subsidiërende) solidariteit

De wederkerige solidariteit is vooral van belang bij verzekeringen. Door middel van verzekeringen worden risico’s gedeeld. Dat gaat gepaard met inkomensoverdrachten. Alle verzekeringen kennen solidariteit in de zin van ex post. Daarbij gaat het om overdrachten van degenen die geen schade hebben geleden naar degenen die wel schade hebben geleden. De uitkering geschiedt na het feit van geleden schade. Hierbij wordt gesproken van kanssolidariteit.
In de sociale verzekeringen gaat het vooral om overdrachten ex ante (dus vóór het intreden van het risico) van degenen die meer betalen dan de premie die hoort bij hun risicoprofiel naar degenen die minder betalen dan overeenkomt met hun risico. Dit wordt subsidiërende solidariteit genoemd.
Bij subsidiërende solidariteit kan weer onderscheid worden gemaakt tussen risicosolidariteit en inkomenssolidariteit. Deze twee vormen komen overigens veelal naast elkaar voor. Bij
risicosolidariteit dragen mensen met lage risico’s mede de lasten van mensen met hoge risico’s. In een ziektekostenverzekering met doorsneepremies is er bijvoorbeeld solidariteit van jongeren met lage risico’s met ouderen met hoge risico’s. Bij inkomenssolidariteit is de premie (of financiële bijdrage in een andere vorm) afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Mensen met een hoger inkomen kunnen mede de lasten dragen van mensen met een lager inkomen.

Informele of ‘warme’ en formele of ‘koude’ solidariteit

Langs de tweede dimensie van organisatie kan gekeken worden naar de mate van spontaneïteit in de organisatie. Men kan hierbij onderscheid maken tussen informele solidariteit en formele solidariteit (vgl. De Beer 1992).
Informele of ‘warme’ solidariteit komt voort uit directe betrokkenheid met mensen, voor wie je ‘warme’ gevoelens koestert. Er is sprake van een directe relatie tussen personen. De meest sterke vorm van informele solidariteit komt meestal voort in het kerngezin of in de familie: de lotsverbondenheid tussen man en vrouw en tussen ouders en kinderen, en andersom. Deze solidariteit kan zo sterk zijn dat men in extreme situaties bereid is zijn of haar leven te geven voor de ander. Denk aan een ouder die met gevaar voor eigen leven zijn of haar kind van de verdrinkingsdood redt of uit een brandend huis. Er zijn ook minder sterke vormen van informele solidariteit, en die vinden we in vriendenkringen, tussen buren en tussen collega’s op het werk. Als je direct getroffen wordt door een concreet mens voor je die in nood is, en je geeft die persoon iets, bijvoorbeeld een gift aan een bedelaar, dan is ook informele solidariteit.
Formele of ‘koude’ solidariteit is betrokkenheid bij anonieme ‘derden’, die je niet persoonlijk kent, maar met wie je toch via een of andere instantie of institutie verbonden bent, zoals een verzekeringsmaatschappij of de overheid. Alle Nederlanders hebben solidariteit met arme medeburgers, wier bijstandsuitkering wordt gefinancierd uit de belasting. Een groep, die een verzekering tegen brandschade heeft afgesloten, is solidair met het misfortuin van de ongelukkige wiens huis is afgebrand en aan wie de verzekeringsmaatschappij een vergoeding uitkeert. Alle Nederlanders zijn formeel solidair met armen in de Derde Wereld, die van de Nederlandse staat ontwikkelingshulp ontvangen.

De vorm van solidariteit: tijd, geld of natura

Er zijn verschillende vormen om solidariteit uit te drukken. De meest bekendste vormen zijn tijd en geld.
De meest voorkomende vorm van solidariteit is de tijd, die men vrij maakt of investeert om een ander behulpzaam te zijn. Denk bijvoorbeeld aan opvoedingswerk, vrijwilligerswerk, mantelzorg. En het gaat ook om onbetaald werk als muziek maken, dichten, troosten, luisteren, aanwezig zijn. Solidariteit vorm gegeven in tijd treffen we ook in allerlei maatjesprojecten voor mensen met schulden, ex-gevangenen, jongeren, ouderen, zieken, gehandicapten, vluchtelingen. Met tijd wordt vooral de informele en vrijwillige solidariteit vorm gegeven.
Formele en verplichte solidariteit neemt bijna altijd de vorm aan van geld. Het gaat meestal om een overdracht van een bedrag aan een instituut, dat vervolgens weer uit de opgebouwde pot een ander toekent aan iemand die dat nodig heeft. Geld kan ook gebeuren bij de informele of vrijwillige solidariteit, zoals bijvoorbeeld bij ouders die hun kinderen leefgeld geven, of mensen die andere mensen een gift geven.
Een derde vorm van solidariteit vindt plaats in de overdracht van natura. Hiervan is het duidelijkst sprake binnen het gezin: voedsel, kleding, huisvesting, enzovoorts. Ook binnen families kan aan overdracht van natura gedaan worden, doordat bijvoorbeeld kleding of huisraad doorgegeven wordt. Solidariteit in natura heeft sinds het jaar 2000 een grote vlucht genomen in Nederland, waardoor de diaconale economie zichtbaar wordt. Denk aan voedselbanken, ruilwinkels, kledingswinkels, speelgoedbanken, maaltijdprojecten, inloophuizen. Een bijzondere vorm van solidariteit in natura is het afstaan van een orgaan of weefsels aan een ander. Meestal gebeurt dit direct na het overlijden, maar soms ook tijdens het leven, bijvoorbeeld een nierdonatie. Een meer voorkomende vorm van solidariteit in natura tijdens het leven is de donatie van bloed bij de bloedbank.

Christelijke traditie en solidariteit

Alhoewel solidariteit van oorsprong geen christelijk begrip is, valt er in de christelijke traditie en in het bijbelse taalveld rond een begrip als gemeenschap duidelijk affiniteit te bespeuren (Uit Jaarverslag DISK 2003). Zo kent de christelijke traditie in dit verband de notie van de door God gegeven ‘gemeenschap der heiligen’. Deze notie brengt te binnen dat het ‘wij’ van de traditie voor de ‘ikken’ het moment van het ‘nu’ draagt en mogelijk maakt. Solidariteit heeft hierbij niet het karakter van een hoog ideaal, maar van een diep besef van een door God gegeven fundamentele verbondenheid in en afhankelijkheid van een gemeenschap.
Ook in de bijbelse bronnen is solidariteit geen hoog moreel ideaal. De solidariteit begint in het door God gegevene, letterlijk in datgene waarmee de aarde aan bestaansmogelijkheden de grond onder onze voeten vormt. Solidariteit wordt van hieruit geboren in de ontdekking dat individuen datgene wat zij zich rechtens menen te mogen toe eigenen, slechts hebben, slechts kúnnen hebben omdat een door God gegeven gemeenschap hen omgeeft zowel in de ruimte als in de tijd.
De bijbelse notie ‘gerechtigheid’ redeneert ook vanuit dit gemeenschapsbesef. In het licht van dit begrip is een verdeling van bestaansmogelijkheden pas ‘recht’ te noemen, wanneer een optimale participatie in die bestaansmogelijkheden voor de hele gemeenschap gerealiseerd is. IJkpunten voor deze ‘rechte’ verdeling zijn degenen die met betrekking tot deze participatie de meest kwetsbare positie innemen in de gemeenschap: de weduwe, de wees en de vreemdeling. Komen dezen iets tekort dan is de gemeenschap en daarmee de gerechtigheid geschonden.

Respect als sleutel tot solidariteit

Het blijven stellen van vragen bij iedere politieke vormgeving van de solidariteit, of het nu de private en vrijwillige of publieke en verplichte solidariteit betreft, lijkt momenteel de belangrijkste opdracht voor de kerken. Het stellen van deze vragen heeft in de christelijke traditie te maken met de basale notie dat God mensen elkaar en de schepping gegeven heeft om van te leven en zorg voor te dragen. Deze gave wekt enerzijds dankbaarheid voor datgene wat zich aan solidariteit aandient in de samenleving, en doet anderzijds verlangen naar het Koninkrijk van God waarin die gave volledig geopenbaard en geleefd zal worden. Het ijkpunt voor de vragen die kerken hebben te stellen is dus niet een of andere bijbelse of kerkelijke blauwdruk voor de solidaire samenleving, maar veeleer de fundamentele vraag of de maatschappelijk georganiseerde solidariteit recht doet aan de notie van wederzijdse afhankelijkheid en of ze volwaardige participatie van allen aan de samenleving mogelijk maakt of deze juist belemmert. Deze fundamentele vraag sluit enerzijds aan bij de solidariteit die in lotsverbondenheid in de samenleving altijd op zijn minst al latent aanwezig is. In die zin wil vanuit de christelijke traditie ook steeds de poging gedaan worden om aan te sluiten bij wat in de samenleving gegeven is. Anderzijds wil vanuit de christelijke traditie de poging ondernomen worden om deze lotsverbondenheid op een bewust en daarmee politiek niveau te tillen. Respect dient zich in deze politieke vormgeving aan als het moment waarop de autonomie van de andere persoon of institutie onderkend wordt als van wezenlijk belang voor onze eigen autonomie. Die onderkenning impliceert oog voor de zelfstandigheid en de afhankelijkheid van de ander in relatie tot onze eigen zelfstandigheid en afhankelijkheid. Op deze wijze ontvouwt de solidariteit in de samenleving zich als een web van wederkerigheid. Het respectvol onderkennen en honoreren van deze wederkerigheid ontsluit de samenleving pas als een solidair maatschappelijk verband.

Hub Crijns is oud directeur van Landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK).